U bent hier

De ‘Race against the machine’ is bij voorbaat verloren

Printvriendelijke versieVerstuur via emailPDF versie

Eric Schmidt, Googletopman, waarschuwt voor effecten van technologie op werkgelegenheid, aldus een kop in De Morgen van zaterdag 25 januari. Hij deed zijn mening kond op het Wereld Economisch Forum in Davos, een bijeenkomst van politici en mensen met veel nullen op hun bankrekening. En als daar iets gezegd wordt is dat nieuws, voor sommigen zelfs wereldnieuws. Schmidt had het over de impact van de automatisering op de werkgelegenheid en kwam niet veel verder dan het aloude cliché dat er een race aan de gang is tussen computers en mensen waarop hij meteen vervolgde dat de mensen die moeten winnen. Twee zaken vallen op bij dit soort uitspraken. Enerzijds blijkt het voor een bepaalde mensensoort ontzettend moeilijk om uit het competitieve denkkader te raken. Daarnaast is er ook een misplaatste vorm van ‘moreel’ denken aanwezig: “we hebben de verdomde plicht…”

De techniek is gekend, eenvoudig in opzet en eigenlijk erg doorzichtig. Hij appeleert aan (onlust)gevoelens verpakt in een ‘mooie one-liner’ en uitgesproken door een ‘onverdachte’ (lees succesvolle) bron. The medium is the message en het gaat er dus in als zoete koek. Enig gebrek aan historische context (laat staan inzicht) is mooi meegenomen. KISS, keep it simply stupid. Met het debiteren van dergelijke algemeenheden kom je in de schijnwerpers te staan. Meer dan twee minuten duurt de aandacht toch niet en morgen hebben we het over iets anders. En als het een beetje meevalt wordt het als ‘visionair’ verkocht. Misschien toch maar even langer stilstaan bij deze marketing truc.

I declare the first Machine-olympics…

De hamvraag is of de mens het ooit gewonnen heeft van de machine? Ik ben geen specialist terzake, maar mij lijkt het dat het antwoord op deze vraag ontkennend is. Elke technologische innovatie heeft op termijn minstens een gedeelte van het arbeidsproces onttrokken aan de mens. Soms duurde het een tijdje vooraleer het ‘praktische’ maar vooral ‘economische nut’ van een technologie duidelijk werd, maar uiteindelijk werd die toch geïmplementeerd. Zo beschikte men in het oude Egypte reeds over een stoommachine, maar het was pas na de ‘herontdekking’ en ‘verfijning’ van deze technologie (jawel daar hebben we Newcomen en Watts) dat ze niet enkel gebruikt werd voor ‘speeltjes’ van de economisch gegoeden (fonteintjes, automatische deuren,…)  maar ook in het alledaagse productieproces en het werk ‘overnam’ van talloze arbeiders. De ‘industriële revolutie’ werd een feit. Ja, het blijft een raadsel waarom de Egyptenaren de voorkeur gaven aan ‘mankracht’  voor het oprichten van hun piramides.  

Er zijn echter meer en vroegere voorbeelden te geven van hoe technologische innovaties het productieproces en daarmee samenhangend de totale economische ruimte veranderden. Zo gebeurde de uittocht uit de agrarische maatschappij om gelijkaardige  redenen. Niet de bij ons zo gekende ‘industriële revolutie’ zoog de arbeiders weg van het platteland naar de steden, die evolutie was reeds veel vroeger ingezet. Aan de basis lagen weerom technologische innovaties. Door betere bemesting kon onder meer het oude drieslagstelsel verlaten worden en alle landbouwgrond constant in productie blijven. Door het gebruik van nieuwe ploegtechnieken waarbij onder andere meerdere messen tegelijkertijd werden gebruikt en er ook dieper geploegd werd verminderde het nodige aantal dagloners. De overtollige dagloners (in onze tijd spreken we over ‘ werklozen’ of ietwat eufemistisch ‘ werkzoekenden’[1]) had geen andere uitweg dan de stad.  Een analoog fenomeen deed zich voor bij de steeds verdergaande industrialisatie.

Bij elke technologische vernieuwing kwamen bepaalde beroepscategorieën onder vuur te liggen en ontwikkelde zich een andere beroepscategorie tot dominante tewerkstellingsmogelijkheid. Historisch zien we een verschuiving van landarbeider tot (fabrieks)arbeider en daarna de overgang  naar de zogenaamde ‘kennisberoepen’ (klerken, secretariaatsmedewerkers, boekhouders, verkopers,…). Tegenwoordig liggen deze laatsten onder vuur. Waar situeert zich het probleem? De technologische evolutie is niet tegen te houden, technologie een neutraal gegeven en dus in wezen a-moreel. Hoe je er gebruik van maakt is dan weer een andere zaak. Maar feit is dat bij beschikbaarheid van een bepaalde technologie, deze ook zal gebruikt worden. Doe je het zelf niet, dan zal je gebuur niet aarzelen om het wel te doen. En aan het eind van de rit weten we wie daar het beste uitkomt. Voor één keer willen we wel eens pragmatisch bekijken.

O homem é um egoísmo mitigado por uma indolência

Tellen morele overwegingen dan niet mee? De geschiedenis leert dat ze op korte termijn niet in rekening worden gebracht. Pas na verloop van tijd wordt duidelijk dat er steeds iets grondig fout loopt bij de introductie van nieuwe technologieën. Elke technologische vernieuwing en de daarmee gepaard gaande herstructurering van het sociale weefsel gaat gepaard met een sociale strijd. En zo krijgt elke periode zijn verhalen. Van ‘lijfeigenen’ die hun vrijheid opofferden in ruil voor bescherming tot ‘vrije boeren of landarbeiders’, de emancipatie van de fabrieksarbeider,…

En met de verhalen komt ook de mythologisering.  Al gebruiken we tegenwoordig liever de term mediatisering. Maar in essentie komt dit op hetzelfde neer: mediatisering is de mythologie voor de (post-)moderne mens. De behoefte aan ‘grote verhalen’ en alle daarbij horende nevenaspecten zit diepgeworteld. Het enige constante bij dit alles is dat we als mensdom (what’s in a name?) enorme prutsers zijn, die blijkbaar steeds weer dezelfde fouten maken. Ziet het ernaar uit dat we het deze keer beter zouden doen?

Fernando Pessoa had het reeds mooi doorzien… “De mens is een egoïst afgezwakt door luiheid”. De kans dat de voorgaande vraag positief kan worden beantwoord is quasi onbestaande. Overigens als toemaatje willen we de lezer het vervolg van dit citaat niet onthouden:  “O animal é a mesma cousa  - Het dier is hetzelfde”. Enige bescheidenheid is nooit weg.

Energie is macht [2]

Immanuel Wallerstein[3] gaat dan ook bewust een stap verder in de tijd om aan te tonen dat de negentiende eeuwse industriële revolutie niet zo ‘uniek’ was als we ons vaak voorstellen (of voorliegen?). Met wat hij als de ‘houten industriële revolutie’ benoemt, beschrijft hij uitvoerig gelijkaardige fenomenen die zich enkele eeuwen vroeger afspeelden. Tijdens de periode van de ‘houten industriële revolutie’ bemeesterde de mens de energie door middel van ‘houten constructies’. De windmolen vormt hierbij het symbool bij uitstek. Door gebruik te maken van deze technologie onttrok de molenaar zich aan de eigenlijke landarbeid (wie de energie beheerst heeft de macht en aanzien, het is nooit anders geweest). Hij vertegenwoordigde een nieuwe tijd want hij was praktisch in zijn eentje in staat om door middel van deze nieuwe technologie het werk over te nemen van tientallen anderen.  En het was niet louter het malen van graan dat werd geautomatiseerd. Molens (niet alleen windmolens, maar ook door andere energie aangedreven exemplaren zoals watermolens en rosmolens) werden ook gebruikt om olie te persen, melk tot boter te karnen, en - in de Nederlanden – voor het droogleggen van gronden. Heel wat activiteiten  werden op die manier aan de pure handenarbeid onttrokken. De ‘rage against the machine’ van Don Quichote de la Mancha komt nu misschien lachwekkend over en kan nog enkel inspireren tot romantische vertolkingen. Maar het was Cervantes ernst. De glorieuze ‘riddertijd’ had echter afgedaan. De achterhoedegevechten zouden dra stoppen.

Al bij al verliep de evolutie van landbouw naar nijverheid vrij gelijkmatig en aan een op mensenmaat aangepast tempo. Dat was enigszins anders bij de grote shock de negentiende eeuwse industriële revolutie betekende. De reeds aan de gang zijnde uittocht uit het agrarische milieu naar een verstedelijkte (nijverheids)cultuur kreeg toen een ongekende versnelling. Deze ‘revolutie’ wordt dan ook als een breuklijn ervaren (vandaar de naamgeving) maar je kan betwijfelen of dit echt het geval was en niet louter een zaak van ‘perceptie’ (om ook dit modewoord eens te gebruiken). Was de industriële revolutie niet veeleer een versnelde voortzetting van wat reeds decennia, zo niet eeuwen, aan de gang was.

En ook hier vinden we didactische voorbeelden voor Googleman Schmidt. Onze eigenste ‘Vlaemsche’ geschiedenis geeft een mooi voorbeeld van wat de ‘race against the machine’ kan betekenen. De zo geroemde ‘Vlaamse huisnijverheid’ probeerde het – tegen beter weten in (?) – op te nemen tegen de nieuwe technologieën. De gevolgen zijn gekend : een ongeziene verpaupering was ons deel.

Economische organisatie

Dat de economische ruimte zich ook steeds op subtiele manier aanpaste aan de nieuwe maatschappelijke organisatie wordt minder vaak voor het voetlicht gebracht. Het gaat dan ook over abstractere processen, niet direct voor het blote oog zichtbaar. Al zijn deze processen daarom niet minder interessant, laat staan belangwekkend.

Van een relatief autarkisch en lokaal economisch systeem waarbij het zwaartepunt op landbouw lag met slechts een beperkte handel  (voor moeilijk te verkrijgen en/of niet zelf produceerbare goederen zoals peper en zout) evolueerde het naar een steeds meer handelsgericht systeem waarin de markt centraal kwam te staan. Braudel en in onze streken Chris Vandenbroeke hebben dit overvloedig geïllustreerd. De gewijzigde handelssituatie creëerde nieuwe problemen die men via de geldtechnologie (baar geld, wisselbrieven,…) met wisselend succes probeerde op te lossen. Tegelijkertijd evolueerde de betekenis van geld van middel (technologie) naar doel. Het oorspronkelijke ‘glijmiddel’ dat de (ruil)handel moest vergemakkelijken werd zelf tot een (handels)product. Het voldoen aan (basis)behoeften vormde niet meer de drijfveer, wel de accumulatie van geld  of het winstprincipe ten top gedreven.

GIG ∨ G

De vraag stelt zich of deze economische organisatie in de huidige context kan worden aangehouden.  De “race against the machine” noopt iedereen op zoek te gaan naar alternatieve tewerkstellingsmogelijkheden. Steeds weer komt naar voren dat de dienstensector – en in de eerste plaats de zorgssector - op dat vlak perspectieven biedt.  Hier valt niet alles te automatiseren… kansen te over naar tewerkstelling dus. Allerlei ‘herscholingsprojecten’ naar aanleiding van grote faillissementen en bedrijfssluitingen (denk maar aan Ford-Genk) laten zien dat deze piste effectief wordt gevolgd. Het gevolg is dat her- en omscholingsprojecten bij de vleet worden opgestart. De vraag stelt zich of dit ook op langere termijn een goede zaak is. We hebben er hier reeds op gewezen dat deze puur economische benadering een uitholling van de zorg betekent. Zorg wordt op die manier gereduceerd tot een handel in ‘voorzieninkjes’, of erger nog ‘prestatietjes’. We hebben er in één moeite door ook op gewezen dat deze eéndimensionaliteit een belediging vormt voor wie zich wel grondig heeft willen verdiepen en inwerken in deze materie. Zij die daadwerkelijk de zorgbehoevende centraal stellen en niet uitgaan van statistieken[4] worden in deze evolutie straal genegeerd. Het is veelbetekenend dat het vaak net deze mensen zijn die op hun beurt uit de sector worden weggerationaliseerd. Vragenstellers zijn te lastige klanten die de realisatie van korte termijn doelstellingen in de weg staan. Het ‘kill the messenger’ principe blijft populair binnen het management-denken.

In dit artikel willen we echter stilstaan bij een ander aspect van deze maatschappelijke evolutie. Enkele kennissen die in de industrie werken stelden me reeds meermaals de retorische vraag wie al die zorginitiatieven gaat betalen.  Het klinkt zeer nobel om aan de zwakke medemens te denken en meteen ook een ander heikel maatschappelijk probleem dat de structurele werkloosheid vormt aan te pakken. Maar koken kost nog altijd geld. Voor vele buitenstaanders lijkt de zorgsector een bodemloze put wat meteen de argumentatie voedt dat bepaalde initiatieven slechts ‘luxeproblemen’ zijn. De volgende stap is dan snel gezet: knippen maar. Of hoe selectieve zorg haar intrede doet. En hiermee zitten we bij de moderne achillespees van het would-be oplossingssysteem. De uitbouw van een zorg binnen het reguliere economische denken kan enkel een Grossieren In Gehandicapten of Gezondheid betekenen. Zorg levert nu eenmaal niet dezelfde ‘meerwaarde’ op (lees winst) als deze die we kennen uit de traditionele economie.  Dus moet de financiering van elders komen. De overheid (wij met ons allen dus) komt dan als eerste in beeld. Maar daar horen we niets dan alarmerende berichten… Het RIZIV zit in slechte papieren, de werkingsmogelijkheden van het Vlaams Fonds zijn beperkt,… De knip zit er op. We kunnen geen  mooiere illustratiegeven (OK, deze formulering klink vrij cynisch) van onze stelling dat het huidige systeem niet meer werkt of in de toekomst nog zal kunnen werken.

Alternatieve geldbronnen aanboren

“Haal het geld waar het zit” is dan ook de boodschap. En neen, dit is geen klein-linkse slogan die hier langs een achterpoortje komt binnengeslopen. Bij gebrek aan afdoende structurele maatregelen is het reeds sinds mensenheugenis de dagdagelijkse realiteit in zorgland. We hebben nog de tijden van ‘pensenkermissen’ en ‘wafelenbak’ meegemaakt. Tegenwoordig vinden wat ‘ludiekere’ en zelfs ‘gezondere’ initiatieven hun weg naar het doelpubliek. Het ‘plukken’ van de sociaal geëngageerde middenklasse behoort nog steeds tot het favoriete tijdsverdrijf binnen de sector. De vraag stelt zich hoe lang dit nog kan blijven duren want laat het nu net deze middenklasse zijn die binnen de huidige economische terugloop aangeschoten wild is (jawel, het is hun tewerkstelling die onder druk komt te staan).

Hoog tijd dus om het geweer van schouder te wisselen en andere geldbronnen aan te boren. Schenkingen en legaten vormen dan een mooie markt. Maar ook dit biedt slechts op korte termijn soelaas. Het zijn eenmalige inkomsten en niets wijst erop dat deze inkomstenbron het langer dan enkele decennia kan trekken. Eenmaal alle ‘familiekapitalen’ opgesoupeerd zijn is het ook hier gedaan met spelen. Je kan enkel hopen dat er steeds nieuwe familiekapitalen in opbouw zijn die voor de welzijnsmarkt beschikbaar zullen komen. Maar het valt te vrezen dat de secularisering van de maatschappij zo haar tol zal eisen. Je kan net zo goed op de lotto spelen.

De tendens naar professionalisering (nog zo’n modewoord of is het Newspeak?) van de fundraising heeft overigens nog een kwalijke nevenwerking. Het vraagt specifieke kennis en vaardigheden en vooral ook veel tijd om dit alles uit te werken. Zo is bijvoorbeeld de wetgeving inzake erfenisrecht verre van doorzichtig en ook het organiseren van grotere evenementen vereist een uitgebreide logistieke omkadering. Voor kleinere initiatieven wordt het dan wel heel moeilijk om met de grotere broertjes te concurreren. Want ja, daar komt het dan uiteindelijk op neer: elkaar vliegen afvangen. De vermarkting van de zorg en de bijhorende concurrentie gaan er steevast op vooruit.

Iets gelijkaardigs zie je bij de zogenaamde ‘Europese Projecten’. Want ook daar zit (veel) geld. Het binnenhalen van projecten van de Europese instellingen vormt nog een mogelijkheid om centen binnen te rijven en een deel van de werking te financieren. Het aanboren van deze geldbron is slechts weggelegd voor zij die enorm veel tijd kunnen investeren in het samenstellen van een dossier. Grotere voorzieningen hebben daarvoor aparte ‘cellen’ opgericht en krijgen dit voor mekaar. Zelf heb ik ooit eens een poging ondernomen om zo’n dossier op te stellen. Al gauw bleek dat dit te hoog gegrepen was voor een enkeling of een kleine voorziening met maar een tiental werknemers.

Rest nog de nieuwe hype die ‘crowdfunding’ heet. Met deze techniek zitten we volledig in het economische productdenken. Crowdfunding vormt een alternatieve manier om een project te financieren door een direct contact te realiseren tussen de ‘investeerders’ en de ‘ondernemer’.  Het gaat dus niet louter over donaties maar over investeringen. En dat laatste roept meteen de vraag op wat dan de ‘return on investment’ (ROI) kan betekenen binnen de context van de not-for profit sector?  Bovendien hebben investeerders de neiging om een vinger in de pap te willen hebben en zich dus met de dagdagelijkse bedrijfspolitiek te moeien. Het is niet zonder reden dat een firma zoals Dell pogingen onderneemt om van de beurs weg te raken en dus meteen ook van die vervelende aandeelhouders af te raken. Maar ook crowdfunding is slechts mogelijk als de middenklasse over geld beschikt.

En dan zijn er tenslotte nog de ‘big donors’. Grote firma’s (en hier en daar een individu) die maar al te graag hun blazoen opsmukken door ‘sociale initiatieven’ te ondersteunen. Vormen zij de reddende engel van de zorgsector? Er zijn meer argumenten tegen dan voor. ‘Big donors’ hebben de neiging om enkel oog te hebben voor ‘grote initiatieven’. Qua marketing scoren die beter. De kans dat heel wat kleintjes in de kou blijven staan is dus reëel. Bovendien staat bij  big donors niet het algemeen belang  centraal maar wel de eigen ‘waarden’. Op zich is daar niets op tegen maar op die manier kan je geen maatschappelijk relevante zorg uitbouwen. De kans dat ‘moeilijke’ projecten in de kou blijven staan wordt er enkel maar groter door. De sponsoring van een kinderdagverblijf oogt mooier op je palmares dan het ondersteunen van een abortuskliniek of het uitwerken van een seksueel zorgcentrum voor mensen met een mentale beperking. Dit laatste krijg je hooguit verkocht aan een condoomproducent.  In essentie is het vertrouwen op ‘big donors’ een moderne variant van de traditionele top-down benadering. Wie het geld heeft bepaalt welke opties worden uitgeerkt. Behoeften die aan de basis worden gedetecteerd maken beduidend minder kans, zeker als ze ‘politiek’ moeilijker liggen.

Harder, langer, meer,… slaven

Kortom, als je alles doorschuift naar privé-initiatieven zonder bijkomende structurele maatregelen zal je er niet uitgeraken. Enkel de meer ‘sexy’ aspecten van de zorg krijgen (tijdelijk?) wat ademruimte. Voor de rest blijf je  zitten met een financiële strop die op korte of middellange termijn enkel tot een verpaupering van de zorgverlener zal leiden. De zorgvraag wordt steeds groter (vergrijzing,…) en diverser. Er zal langer en harder moeten gewerkt worden en er is geen geld voor een afdoende verloning. Quasi-verplichte tewerkstelling via VDAB vormt een mogelijk scenario (maar eerst nog even de werkloosheidsval wegwerken want anders kan dit niet worden gerealiseerd).  Een nieuwe sociale strijd zit er dus aan te komen… De recente evoluties spreken boekdelen.

De door sommige economen geroemde mini-jobs (nep-jobs zullen sommige zeggen) geven aan waar we naartoe gaan… Ze zijn perfect toepasbaar binnen de sector en lossen onder meer het eeuwige probleem van gebroken shifts op onelegante manier op. Geef de mensen twee of meer mini-jobs en het werk raakt gedaan. Een andere optie die aan populariteit wint is het  ‘parkeren’ van moeilijk te plaatsen mensen in de zorgsector. De herscholing tot ‘zorgwerker’ boomt…. Dat vooral de nadruk komt te liggen op ‘praktische arbeid’ zoals eten geven, verschonen kan niet verwonderen.  Maar wat met psychosociale begeleidingsaspecten? Welke aandacht wordt daaraan besteed in de opleiding en mag en kan hieraan aandacht worden besteed in een afgemeten begeleidingsprofiel waar voor elke actie een maximale tijdsduur is bepaald. Wassen = x minuten, voetverzorging,… maar wat te doen met een ondersteunend gesprek…?

Hans Achterhuis analyseerde ooit op treffende wijze het onderscheid tussen arbeid en werk[5]. Kort samengevat komt het hierop neer dat werk resulteert in een werkstuk. Het raak met andere woorden af en het resultaat geeft aanleiding tot een zekere vorm van ‘fierheid’. Arbeid daarentegen is nooit klaar. Als je een raam poetst zal het daarna terug vuil worden en kan je opnieuw beginnen.  Het ziet ernaar uit dat tewerkstelling binnen de zorgsector tot dit aspect wordt gereduceerd. Of erger nog, de recente tendenzen gaan nog een stap verder en brengen de archaïsche term ‘slaven’ terug voor het voetlicht: ‘het verrichten van een gedwongen, harden, rusteloozen arbeid, waarbij de mensch zich vernederd gevoelt.’[6] Want dat is de ultieme consequentie van de momenteel gekozen opties.

Dat deze moderne verpaupering wordt georganiseerd door de erfgenamen van ’68 lijkt bizar. Maar was het niet Horkheimer die reeds stelde dat de achtenzestigers de fascisten van hun generatie waren? En het zo geroemde middenveld (vakverenigingen incluis) stond erbij en keek ernaar.

Monetarisme

Het huidige economische systeem zit dus aan zijn grenzen en er zal dus enige creativiteit aan de dag moeten gelegd worden om een langetermijnsoplossing te vinden. Experimenten om banken buiten een deel van het economische leven te zetten bieden misschien een uitweg. Al te  vaak wordt er vanuit gegaan dat het huidige bankensysteem er altijd is geweest en dat het quasi een stabiel gegeven is. Dat een organisatie zoals Google – aha daar hebben we Schmidt weer – reeds in enkele landen (USA en Verenigd Koninkrijk) een banklicentie heeft verkregen spreekt boekdelen. Hoe zo’n Google-bank er zal uitzien weet niemand, maar hopelijk gaan ze iets creatiever te werk dan het louter na-bouwen van het reeds bestaande. Ze zijn niet de enigen die op zoek gaan naar alternatieve systemen.  Experimenten zoals het uitwerken van bitcoins laten zien dat men probeert de huidige dominante economische structuur te wijzigen of minstens te omzeilen en zelfs de banken buitenspel te zetten in een gedeelte van het economische gebeuren. Het vormt een poging om de monopolie van het geld als economisch middel te bestrijden.  De kritiek dat terroristen en criminelen daar maar goed van worden is wellicht terecht maar vormt slechts een flauw argument dat enkel de bestaande (wan)orde voordeel oplevert. Want geldt diezelfde kritiek niet voor het reguliere bankwezen? Het Zwitserse UBS zal wel niet de enige zijn geweest die er de kantjes afliep (al is iemand – zowel natuurlijke als rechtspersoon -  vanzelfsprekend onschuldig zolang hij niet veroordeeld is).

En daarmee zijn we weer aanbeland bij projecten zoals de Japanse fureia kippu en andere alternatieve en complementaire muntsystemen. Ook die denkpiste blijft meerdimensionale perspectieven bieden.

De ‘rage against the machine’ levert misschien mooie muziek op en kan het hart luchten maar is voor het overige weinig rationeel en dus ook niet direct een serieuze optie. De geschiedenis heeft wat dat betreft de ‘sabotarts’ en ‘ludisten’ ongelijk gegeven. Emo-reacties die aanleiding geven tot directe actie hebben zo hun beperkingen. Het zijn overigens evenzeer epigonen van het korte termijn denken.

Efficiëntie is in deze context niet meer van deze tijd. Het is een begrip dat waardevol is binnen een productieve omgeving. Het past echter als een tang op een varken wanneer we het over psychosociale dienstverlening hebben. In deze context is ‘effectiviteit’ het kernwoord dat voorrang zou moeten krijgen. Missie en visie staan daarbij centraal en kunnen slechts dan hun volle betekenis krijgen en het niveau overstijgen van schaamlapje voor het bloeden dat momenteel zelfs nauwelijks wordt gehaald.

Laten we stoppen om te racen tegen machines. Ze maken inherent deel uit van onze samenleving. Het is beter om onze energie en aandacht richten op hoe we die samenleving wensen te organiseren.

 

Naschrift

GoffertparkIn Nijmegen hebben ze het Goffertpark. Het park werd vanaf 1935 aangelegd in de buurt van de oude ‘Goffertboerderij’. Het ging in essentie om een werkverschaffingsproject van de stad in een poging de hoge werkloosheidsgraad te doen dalen. Het merkwaardige aan het project is dat er bij de realisatie van de werken geen machines mochten gebruikt worden. Het ganse park – zo’n 83 hectaren groot – is dus met handenarbeid gerealiseerd: hard labeur. Vlak voor de grote wereldbrand, in 1939, waren de werkzaamheden afgerond. Als herinneringsmonument aan deze noeste arbeid staat midden in het park een monumentale schop.

Door beschikbare technologie – bewust – niet te gebruiken wilde men sociale onrust vermijden. Beter ‘domme arbeid’ dan ledigheid die tot opstand kan leiden. Een gelijkaardig mechanisme zit trouwens ook impliciet achter heel wat hedendaagse  ‘sociale activeringsmaatregelen’ van werklozen. Achter ogenschijnlijk hoogstaande morele principes gaat vaak een platte economische machtspolitiek schuil. Het is nooit anders geweest.

De oude Azteken wisten dit reeds. Braudel beschrijft indringend dat de beschikbare maiscultuur  in principe veel vrije tijd met zich bracht. Mais verbouwen is namelijk in tegenstelling tot bijvoorbeeld de rijstcultuur niet arbeidsintensief. Integendeel, het groeit als onkruid en kan zelfs onrijp gegeten worden. Om het maatschappelijke bestel stabiel te houden (lees: volksopstanden te vermijden) was het dus noodzakelijk om de massa’s ‘bezig te houden’. Een ingenieus en autoritair religieus systeem dat grote infrastructuurwerken liet uitvoeren vormde dan ook een mooie oplossing voor dit probleem.

Het is dus niet altijd het volk dat – uit onwetendheid of angst voor verandering - innovatie wil vermijden. Vaak vinden beide partijen zich in eenzelfde conserverende praktijk.

________

Embedded video's over stoommachine van de Nederlandse schooltv-site, Lieven Tavernier op Youtube.

[1] Sommigen zullen mij verwijten aan ‘stemmingmakerij’ te doen door de term ‘werkzoekende’ als eufemisme te labelen. Het is nochtans de vraag of je nog van ‘werkzoekenden’ kan spreken als het aantal werklozen beduidend groter is dan het aantal werkaanbiedingen. In zo’n situatie staat niet meer het zoeken centraal maar wel de rat race en het figuurlijk in de gracht duwen van mogelijke concurrenten.  Zoeken heeft enkel zin als er ook daadwerkelijk iets te vinden is, tenzij je natuurlijk Diogenes van Sinope heet…

[2] Scientia potentia est (toegeschreven aan Francis Bacon 1597) – kennis is macht , maar vooral dan als het om ‘energiebeheersing’ gaat zoals uit dit voorbeeld blijkt.

[3] Wallerstein, I., Mercantilisme en de consolidatie van de Europese Wereld-economie 1600-1750, Het moderne wereld-systeem II, Weesp, Heureka, 1983, 439pp.

[4] Tijdens een recente uitzending op de Nederlandse TV naar aanleiding van de winterspelen in Sotsji over het Stalinisme in de USSR stelde één van de geïnterviewden het ongeveer als volgt: “één dode vormt een menselijk drama, honderd doden zijn een statistiek”. En hij vervolgde dat je van zodra je onderdeel van een statistiek uitmaakt, vervangbaar bent.

[5] Achterhuis, H., Arbeid een eigenaardig medicijn, Baarn, Ambo, 1984, 335pp.

[6] Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)