U bent hier

Niet z€uren

Printvriendelijke versieVerstuur via emailPDF versie

Geld is een fantastische uitvinding. Het stelt ons in staat om op eenvoudige manier de gewenste consumptieartikelen te verkrijgen: sigaretten, snoep, seksboekjes,… en dan hebben we nog maar alleen de letter S van het productenwoordenboek opengegooid… Naast de ‘Short-term’ behoeftenbevrediging kan je het ook gebruiken om grotere projecten te realiseren: een huis, een nieuwe slaapkamer, een geluidsinstallatie. Meestal moet je hiervoor een tijdje sparen. Lenen is ook een optie maar de facto komt dit op hetzelfde neer. Het is dus leuk om over geld te beschikken.

De keerzijde van het fenomeen geld is dat het tegelijkertijd ook een uitermate geschikt disciplineringsmiddel is, vooral dan om de minder vermogenden in het gareel te laten lopen. Het is nooit anders geweest, some pigs are more equal than others schreef Orwell reeds. Wil je geld krijgen, dan verwacht men een tegenprestatie, voor niets gaat de zon op. In het beste geval kan je hierover onderhandelen, maar meestal krijg je minder dan je verdient (vraag en aanbod weet je wel). Tot zover de positieve invulling van het verhaal.  Doe je iets verkeerd en – belangrijk detail ! – wordt je betrapt, dan kan je bijvoorbeeld een boete krijgen. Een maatschappelijk aanvaarde manier van deprivatie zeg maar. Afhankelijk van je inkomen zal je jezelf wel of niet gedurende een tijd enkele zaken moeten ontzeggen. Kortom, geld is een fantastische uitvinding en multifunctioneel bovendien.

Na de theorie… de praktijk

In een begeleidingscontext zien we beide elementen ook vaak aan de oppervlakte komen. Iets wat op de keper beschouwd vrij eigenaardig is aangezien we te maken hebben met volwassenen die meestal niet het statuut van verlengde minderjarige hebben. Nog eigenaardiger wordt het als je bedenkt dat deze mensen hun geld elders verdienen (of via een uitkering verkrijgen) en toch afhankelijk zijn van hun begeleiders om erover te kunnen beschikken. Dat hier heel zelden vragen worden bij gesteld kunnen we enkel interpreteren als  een typisch voorbeeld van hoe begeleiders in hun opleiding worden verneukt. Methodieken die mogelijks aangewezen zijn, en veelal succesvol blijken te zijn bij kinderen en jongeren worden kritiekloos en schaamteloos toegepast bij volwassenen. Je kan hier als verklaring (excuus?) een aantal drogredenen aanvoeren zoals een tekort aan onderzoeksfondsen of het feit dat enkele decennia geleden de levensverwachting van mensen met een beperking niet zo hoog was (grotere kwetsbaarheid gezien hun – vaak gecombineerde medische – problematiek, gevaar voor risicogedrag enz…) maar feit blijft dat dit als uiting van een  gebrek aan respect en dus ethisch vermogen kan tellen. Tegelijkertijd geeft het blijk van een groot gebrek aan creativiteit.  

Wat zagen en zien we ook nu nog in de dagelijkse praktijk? We hebben het zelf nog meegemaakt hoe bewoners (half)wekelijks konden aanschuiven aan het directiebureel om hun ‘zakgeld’ te ontvangen. Onwillekeurig creëert dergelijk ritueel een sfeertje van af- en aanhankelijkheid, zich conformeren aan macht enz… met alle gevolgen vandien. We hebben dan ook een lange weg naar humanisering moeten afleggen vooraleer we toe een aanvaardbaardere manier van werken kwamen. En gelukkig zijn we nooit gestopt met de geldende werkwijze in vraag te stellen of de makkelijke weg van de automatische piloot te volgen. Mensen steeds opnieuw (groei)kansen geven bleef de ultieme betrachting.

In een eerste fase werd de ‘geldbedeling’ losgekoppeld van een functie binnen de organisatie of een specifieke persoon. Het werd de taak van de begeleiding om samen met de bewoners rond het individuele geldbeheer te werken. Op die manier probeerden we duidelijk te maken dat het over het eigen geld/vermogen van de bewoners gaat en niet over iets dat ze om welke reden dan ook op een bepaald tijdstip ontvingen.

Tegelijkertijd werd een aanvang genomen naar differentiatie in de begeleiding. Afhankelijk van intellectuele, fysische, emotionele en sociale vaardigheden werd een individuele methodiek uitgewerkt. Sommige mensen bleven hun geld rechtstreeks van de begeleiding ontvangen, anderen gingen met de begeleiding naar de bank en er waren er ook die volledig zelfstandig hun zaken beredderden en (in tijd en ruimte) vanop ‘afstand’ werden opgevolgd. Een bijkomend voordeel van deze benadering is dat het bij de betrokkenen ambitie creëert. Met andere woorden, het stimuleert en laat toe dat mensen hun eigen leven (weer) in handen nemen.

Rozegeur en maneschijn…?

Maar zoals gezegd, het draait natuurlijk om geld, en de hamvraag is dan of ‘misbruik’ mogelijk is. De regelgeving voorziet in een procedure om dit te voorkomen. Een financiële controlecommissie met externe vertegenwoordigers van bewoners volgt de individuele dossiers op. Geen enkele procedure is 100% sluitend, maar in al die jaren zijn er geen problemen vastgesteld.

Het is dan ook eigenaardig en ook enigszins stuitend om vast te stellen dat dit systeem nadien opnieuw verlaten werd. Na de overname van het woonbegeleidingscentrum werd massaal overgeschakeld op het systeem van de ‘voorlopige bewindvoerder’, ook voor mensen die al jaren aan zelfbeheer deden. Deze werkwijze staat in schril contrast met wat bijvoorbeeld belangenverenigingen al jaren bepleiten, nl. deze beschermingsmaatregel enkel toe te kennen aan mensen die het echt nodig hebben en niet omdat bijvoorbeeld een vader vindt dat zijn zoon te veel geld uitgeeft aan, in zijn ogen, onbenullige zaken[1]. Sterker nog, er wordt gepleit om deze regeling af te bouwen en te vervangen door een aan deze tijd aangepaste wetgeving[2]

Het is weerom zien we in de praktijk – het wordt een eentonig refrein – dat de makkelijke weg van de  efficiëntie wordt verkozen boven de uitdaging om te zoeken naar een methodiek aangepast aan de individuele mogelijkheden van de betrokkenen. We kunnen er echter niet omheen dat een procedure die naar standaardisering streeft en iedereen onder ‘voorlopige bewindvoering’ stelt vooral een methode is om begeleiding, directie en andere betrokken partijen juridisch uit de wind te zetten. Eens te meer staat niet de cliënt (de bewoner) maar de entourage centraal.

Kan het symbolischer dat juist op vlak van geldbeheer de botte bijl wordt gehanteerd? Deze gecrispeerde econofielen geven daarmee blijk van een geïnstitutionaliseerd conservatisme. De angst voor vooruitgang – een steeds verdergaande humanisering van de samenleving – belet hen om reeds gedeeltelijk verkende paden verder te bewandelen.

Uitsmijter

Benjamin DisraeliVaak wordt in deze context de term efficiëntie gebruikt om de genomen maatregelen te verdedigen. Eenvoudige en doorzichtige procedures maken het werk lichter luidt het credo. Bovendien is het goedkoper. In economisch barre tijden twee doorslaggevende argumenten. Want er is sowieso onvoldoende geld, en wie wil zijn job riskeren? Maar snijdt deze redenering hout? Als je alle elementen op een rijtje zet kan je er niet omheen dat het terugkeren naar oude methodieken net het bureaucratische gehalte van het werk verhogen. En bureaucratie betekent dat je meer tijd en geld nodig hebt om tot een resultaat te komen… waar zitten die besparingen dan?

In een klassiek artikel gepubliceerd in de New Statesman (1996) maakte Godfrey Hodgson reeds brandhout van de stelling dat bureaucratie een gegeven is dat vooral in de publieke sector welig tiert. Alle feiten bij elkaar genomen blijkt dat bijvoorbeeld banken en verzekeringsinstellingen een groter personeel bestand hebben,  meer procedures hebben en papierwerk  produceren dan de eerste beste overheidsdienst. Wat we intuïtief aanvoelen – of beter misschien, wat ons door ontelbare herhalingen wordt ingelepeld – blijkt niet met de realiteit te kloppen. In zijn inleiding verwijst hij naar de Engelse staatsman Disraeli : “With words we govern men”.

De praktijk leert namelijk dat bij begeleidingen die met een ‘voorlopig bewindvoerder’ te maken hebben er meestal niet kort op de bal kan worden gespeeld. Er is nogal wat correspondentie nodig om via dergelijke bewindvoerder zaken te realiseren. Zelf hebben we meegemaakt dat voor de aankoop van een nieuwe slaapkamer – waar ook medische argumenten voor waren, het was dus zeker geen luxe-initiatief van begeleiders om wat geld over de balk te smijten  – de knip maanden op de beurs bleef. Bovendien blijkt het terugschroeven van dergelijke maatregelen een haast hopeloze zaak waarbij vooral op de goodwill van de bevoegde vrederechter moet worden gehoopt. Wij zijn niet overtuigd van de efficiëntie, noch het financiële voordeel van het systeem… tenzij je natuurlijk de wet van de minste inspanning volgt en alle emanciperende en pedagogische activiteiten uit de missie/visie schrapt. Deze laatste tekst kan dan best vervangen worden door volgende passus:

“Niet zeuren jongens en meisjes… ge moogt al content zijn dat ge een dak boven uw hoofd hebt”.


[2] Lief Vanbael, Een nieuw beschermingsstatuut?, Handiscoop, mei 2010, http://www.kvg.be/download.php?id=44920&md=518f741fa426a51c73533c621e5c810744920