U bent hier

Het normalisatieprincipe

Printvriendelijke versieVerstuur via emailPDF versie

Het normalisatieprincipe vormt zowat de hoeksteen van elke moderne benadering binnen de gehandicaptensector. Op deze pagina's willen we dit principe onder de loep nemen en verduidelijken hoe en in welke mate we dit de afgelopen decennia geconcretiseerd hebben.

In "Naar een kritische orthopedagogiek, in het bijzonder van de zwakzinnige mens" verwijst Ad Van Gennep (1980) naar de vernieuwde wetgeving over de zwakzinnigenzorg in Denemarken zoals die in 1959 (!) werd ontwikkeld. Hij citeert Bank Mikkelsen die erop wijst dat deze wet stelt dat de zwakzinnige een bestaan moet kunnen leiden "dat zo dicht mogelijk bij het normale ligt". Het is vooral de Zweedse interpretatie en aanpassing van deze doelstelling die men het 'normalisatieprincipe' is gaan noemen. In die context houdt het principe in dat 'mensen met een handicap, in de mate van het mogelijk, moeten opgenomen worden in het gewone systeem van sociale dienstverlening. Men gaat er van uit dat normalisatie van de woonomstandigheden, het onderwijs, de arbeid, e.d. een positieve invloed heeft op het leven van de betrokkenen. Het lijkt de evidentie zelf, mensen met een beperking hebben dezelfde rechten en plichten als ieder andere burger.

Ondertussen zijn er bibliotheken volgeschreven over de alternatieve interpretaties, verdere uitwerkingen en (on)mogelijkheden naar realisatie toe. Al snel tekenden zich twee hoofdstromingen af die we gemakshalve kunnen labelen als de "Amerikaanse" en de "Scandinavische" school. De eerste situeert zich in de traditie van meetbaarheid en beheersbaarheid en mondde uit in wat we kunnen omschrijven als een 'minimalistisch' perspectief. De nadruk ligt daarbij hoofdzakelijk op het aanleren van praktische vaardigheden en het zich inpassen in een bestaande cultuur. Naar begeleiding toe betekent dit een veilig parcours van gekende en getoetste procedures. De nadruk ligt bij dit alles op 'doen' wat zich vertaalt in allerlei 'methodieken' die de hulpverlener zich eigen moet maken. Het Scandinavische model blijft dichter bij de asprekten individuele eigenheid en diversiteit. Deze laatste benadering vraagt van de hulpverlener een loskomen van starre methodieken en aangeleerde truukjes (automatismen en strikte procedures) en doet een beroep op de nodige creativiteit om in een specifieke situatie tot een gepersonaliseerde aanpak te komen.

Om het scherp te stellen kunnen we de eerste school typeren met termen als opportunisme en conformisme (het proberen wegmoffelen van een handicap) waar de tweede benadering emancipatie (waar we elders uitvoeriger op ingaan) en inclusie centraal stelt. De praktijk bevat een brede waaier aan invullingen die zich in mindere of meerdere mate op één of beide richtingen beroept. Het is niet onze ambitie om al deze stromingen op hun waarde af te toetsen... Feit is evenwel dat iedereen met een gerust geweten kan stellen dat hij of zij 'het' normalisatieprincipe genegen is en het in de dagelijkse realiteit probeert te realiseren. Met enige zin voor overdrijving kunnen we namelijk stellen dat er evenveel normalisatieprincipes zijn als hulpverleners. Het is dan ook de dagdagelijkse realiteit die telt. We willen de discussie levend houden en aan de hand van kleine - vaak ogenschijnlijk irrelevante - voorbeelden tonen hoe dit algemene principe geconcretiseerd wordt of kan worden en welke waarde deze invullign heeft. Het is onze stellige overtuiging dat het normalisatieprincipe - maar vooral de invulling ervan - zelfs in tijden waar ideeën ondergeschikt worden aan budgettaire en andere efficiëntienonsens niet aan belang moet inboeten. Effectiviteit heeft namelijk steeds voorrang op efficiëntie, het gaat tenslotte nog steeds over mensen. Mensen die eten, en drinken, feesten maar zich ook zorgen maken, werken en vrije tijd hebben, liefhebben en haten,... kortom niets menselijks is hen vreemd.

Onder deze titel plaatsen we artikels die verslag uitbrengen over onze pogingen om het normalisatieprincipe in de praktijk te brengen... het gaat over voor de hand liggende - soms kleine - elementen uit het dagelijkse leven van iedereen: eten, drinken, liefhebben, ...