U bent hier

Positieve Psychologie

Printvriendelijke versieVerstuur via emailPDF versie

Bij het begin van het derde millenium publiceerden Seligman en Csikszentmihalyi[1] een inleidend artikel over positieve psychologie. Het artikel vormde de inleiding op een speciaal nummer van ‘American Psychologist’ gewijd aan dit thema. Het centrale thema van wat ondertussen een heuse stroming binnen de psychologie is geworden is dat psychologie niet louter een studie van pathologie, afwijkingen, zwakte en meer van dergelijke negatieve termen is, maar dat het ook de studie is van geluk, welbevinden, empathie, vriendschap, liefde, succes en plezier. De auteurs stellen dat de mainstream psychologie tot dan toe vooral vanuit een ziektemodel werd ontwikkeld. Afwijkend en problematische gedragingen vormden vaak de vertrekbasis voor wetenschappelijk onderzoek. Op deze bevindingen werden dan methodieken naar de praktijk toe ontwikkeld, in de eerste plaats curatief. Al snel zag men ook de voordelen van preventieve actie. Dat preventie niet door het bijsturen van problemen gebeurt, maar door het systematisch opbouwen van competenties, was vrij snel duidelijk.

De idee van een positieve psychologie was niet nieuw. De humanistische psychologie (Maslow, Rogers, enz…) had dit reeds benadrukt. Termen als zelfrealisatie en volfunctionerende persoonlijkheid werden gelanceerd. Hun opvattingen werden echter niet of maar in beperkte mate onderbouwd door empirisch onderzoek en bleven dus veelal op het niveau van morele en filosofische bespiegelingen.

De positieve psychologie probeert hier zijn steentje bij te dragen. Zij bestudeert voornamelijk drie topics, drie elementen die van belang zijn om tot een evenwichtige persoonlijkheid te ontwikkelen.

1.Positieve ervaringen

Positieve ervaringen: wat is het belang van positieve ervaringen en wat maakt de ene ervaring beter dan de andere.

2.Positieve persoonlijkheid

Binnen deze stroming wordt de mens gezien als een zichzelf-organiserend, zelfsturend, zich aan de omgeving aanpassend wezen (i.t.t een passief wezen dat reageert op allerlei stimuli). Mensen worden bekeken als beslissers, dus met de mogelijkheid om keuzes te maken, voorkeuren te hebben enz…

3.Ingebed in een sociale context

Persoon en ervaringen zijn ingebed in een sociale context. De omgeving heeft een niet te onderschatten rol binnen dit model. Het gaat over ‘ecologische’ validiteit. Met probeert met andere woorden los te komen van de louter in labo onderzochte fenomenen.

Dat Seligman een voortrekken van de positieve psychologie werd lijkt voor de hand liggend. Zijn vroegere onderzoeken wezen reeds op problematische aspecten van de strikt behavioristische benadering. In 1967 publiceerde hij de resultaten van een aantal dierproeven die het nu algemeen gekende fenomeen ‘aangeleerde hulpeloosheid’ aantoonden. Dit fenomeen treedt bij mens en dier op wanneer er geen adekwate feedback over het eigen gedrag komt. Er ontstaat een situatie waarbij mens of dier het gevoel heeft geen controle op de situatie te hebben. Na een eerste fase van verhoogde alertheid en mogelijks agressie resulteert dit op termijn in hulpeloosheid en kan het verder afglijden naar een toestand van depressie.  

Mensen met een mentale beperking zijn mensen zoals alle anderen. Het zijn dus ook actieve wezens met nood aan positieve ervaringen die in een specifieke sociale context leven.  Indien de sociale context geen zelfcontrole of positieve ervaringen toelaat zal afwijkend gedrag optreden. Het is al te makkelijk om dit afwijkende gedrag louter op de kap van de ‘mentale beperking’ te steken. Er bestaat een grote nood om de taal van deze mensen te leren lezen. Met andere woorden, in de huidige tijd hebben we nood aan een positieve benadering met respect voor het individu die verder gaat dan het  - onder druk van allerlei marktprincipes - op een zo efficiënt mogelijke manier grossieren in gehandicapten.


[1] Seligman, M.E.P. & Csikszentmihalyi, M., Positive Psychology. An Introduction, American Psychologist, 2000, Vol. 55, n°1, 5-14.