U bent hier

Self Determination Theory

Printvriendelijke versieVerstuur via emailPDF versie

2. Self Determination Theory

De Self Determination Theory[2] daarentegen vertrekt vanuit positieve elementen. De theorie onderscheidt drie onafhankelijke basisbehoeften : autonomie, gerelateerdheid en competentie. De auteurs gaan ervan uit dat psychische gezondheid een bevrediging van alle drie deze behoeften vereist. Eén of twee is onvoldoende. Het model situeert zich binnen de stroming van de positieve psychologie. Het gaat ervan uit dat mensen actieve wezens zijn, gericht op groei en samenleven. De afgelopen decennia heeft heel wat empirisch onderzoek dit model ondersteund en een verdere verfijning ervan mogelijk gemaakt. Nogal wat onderzoek handelt over verschillende omgangsvormen en wat een groeiondersteunende basishouding inhoudt. In die zin geeft het meteen ook een kader naar begeleidingsstijl. Met Kurt Lewin kunnen  we stellen dat ‘niets zo praktisch is als een goede theorie’. In de volgende paragrafen lichten we kort het ABC van de SDT[3] toe om vervolgens wat langer stil te staan bij de effecten van begeleidingsstijl.

2.1. Autonomie

Autonomie staat voor psychologische vrijheid. Het is een fundamentele wens om de eigen keuzevrijheid en wil te kunnen realiseren. Binnen het theoretische kader dat SDT aanbiedt hebben de auteurs heel veel aandacht voor het onderscheid tussen autonome en gecontroleerde motivatie.  Door wetenschappelijk onderzoek kwam In de loop der jaren een genuanceerd beeld tevoorschijn. Autonome motivatie omvat namelijk zowel de ‘klassieke’ intrinsieke motivatie – XXX - als een aantal extrinsieke motivaties op voorwaarde dat deze laatsten door de persoon in kwestie in zijn eigen zelfbeeld werden geïntegreerd. Bij autonome motivatie spelen de eigen wil en zelfbekrachtiging een centrale rol.

Onder gecontroleerde motivatie verstaat men binnen het SDT-model  zowel externe regulatie als “’geïntrojecteerde regelgeving”.  Bij externe regulatie staat iemands gedrag in functie van externe omstandigheden zoals beloning en bestraffing. ‘Introjected regulation’ (geïntrojecteerde regelgeving) betekent dat de sturing van het gedrag gedeeltelijk geïnternaliseerd is. Hierbij wordt het gedrag gestuurd door factoren zoals het vermijden van schaamte, de goedkeuring door derden, voorwaardelijke gevoelens van eigenwaarde (contingent self-esteem) en ego-betrokkenheid. Gecontroleerde motivatie houdt gevoelens van druk of dwang in[4]. Samenvattend stellen Deci & Ryan:

"When people are controlled, they experience pressure tot think, feel, or behave in particular ways"

Het mag duidelijk zijn dat zowel autonome als gecontroleerde motivatie het gedrag sturen. Ze staan tegenover amotivatie wat een gebrek aan sturing betekent.

Belangrijk is dat beide motivaties tot heel verschillende resultaten leiden. Onderzoek toont steeds weer aan dat autonome motivatie leidt tot een grotere psychologische gezondheid en effectievere prestaties bij heuristische activiteiten (performance) . Bovendien blijkt het gedrag stabiel over langere termijn. Meer gedetailleerde informatie vind je op de behoorlijk uitgebreide website : http://selfdeterminationtheory.org/

2.2. Belongingness

Onder de behoefte aan gerelateerdheid (belongingness) verstaat men de neiging om zich verbonden te voelen met anderen, om lid te zijn van een groep. Deze behoefte wordt bevredigd als mensen de ervaring hebben om erbij te horen, dat ze (graag) gezien worden, dat er voor hen gezorgd wordt. Deze behoefte gaat terug op de onderzoeken van Bowlby over gehechtheid.

2.3. Competentie

Onder competentie verstaan de auteurs de behoefte om de omgeving te bemeesteren. Dus niet alleen de eigen vrije wil is van belang, ook de behoefte om met die vrije wil de wereld te beïnvloeden, om daadwerkelijk iets te realiseren. Mensen zoeken met andere woorden ‘uitdagingen’ om zichzelf te realiseren. Bij SDT gaat het niet zozeer over de sterke van een behoefte maar om behoeftebevrediging.