U bent hier

Self Determination Theory

Printvriendelijke versieVerstuur via emailPDF versie

3. Autonomie-ondersteunende versus controlerende sociale omgevingen

Onderzoek wijst uit dat de sociale context een autonome motivatie kan ondersteunen. In de volgende paragrafen geven we een aantal belangrijke bevindingen weer. In de mate van het mogelijke probeerden we dit te vertalen naar de begeleidingscontext binnen de zorg voor personen met een beperking.

In een autonomie-ondersteunende context wordt uitgegaan van het perspectief van de cliënt, de cliënt staat centraal. Dit wil niet zeggen dat dit automatisch leidt tot een (extreem) vraaggestuurde hulpverlening. Methodieken als ‘bemoeizorg[5]’ passen perfect binnen dit kader, net omwille van het lange-termijndenken dat eraan ten grondslag ligt. Een autonomie-ondersteunende begeleiding laat de mogelijkheid tot zelfinstructie en eigen keuze maar levert ook een betekenisvolle uitleg wanneer een keuze wordt opgelegd of een voet tussen de deur wordt geplaatst. Dergelijke context onthoudt zich van het gebruik van druk en toevalligheden om gedrag te motiveren en geeft op het gepaste ogenblik positieve feedback (Vansteenkiste, M. et.al. p. 21).

Een controlerende sociale omgeving wordt gekenmerkt door het uitoefenen van druk op het denken van anderen om zich op een bepaalde manier te gedragen of om op een bepaalde manier te denken.  Binnen SDT onderscheidt men twee types van controlerende contexten: interne of externe controle.

Bij externe controle gebruikt men openlijke dwingende strategieën zoals duidelijke beloning, deadlines en openlijke controlerend taalgebruik. Onder dit laatste valt de communicatie van het ‘opgestoken vingertje’ gekenmerkt door statements als  “Je moet”, “Je zou”, “je dient”,… Deze strategie plaatst de cliënt onder druk om een bepaald gedrag te stellen door het induceren van extern gecontroleerde voorschriften. Cliënten kunnen echter ook zichzelf dergelijke druk opleggen. Hier spreekt men over interne controle. SDT stelt dat de omgeving op zeer subtiele manier dergelijke mechanismen kan uitlokken. Gekende strategieën zijn schuld-inducerende strategieën, inspelen op schaamtegevoelens of het gebruiken van voorwaardelijke beloning (“als je je goed gedraagt gaan we… of mag je…).

Nu kan je ervan uitgaan dat het voorgaande professioneel opgeleide mensen gesneden koek is. Niets is blijkbaar minder waar. Al te vaak hebben we meegemaakt dat beginnende medewerkers raad kwamen vragen over de ‘aanpak’ van een probleemsituatie (soms werd dit zelfs nog in termen van een ‘probleemgeval’ omschreven). De basisvraag was meestal te reduceren tot “zeg ons wat we moeten doen, welke sancties moeten/mogen we in deze situatie opleggen, …”. Het antwoord om in eerste instantie niet wakker te liggen van sancties maar integendeel te luisteren naar de persoon of personen, en wat ze via ‘problematische gedrag’ probeerden te vertellen, voldeed voor een aantal vraagstellers niet. Het is ook geen ‘evident’ antwoord want het strookt blijkbaar niet met het ‘protocoldenken’ dat de afgelopen decennia (mede door het invoeren van kwaliteitshandboeken ?) opgeld doet in de sector en blijkbaar ook in de opleidingsinstituten.