U bent hier

Zwijgcultuur

Printvriendelijke versieVerstuur via emailPDF versie

1. Disciplinering

Je kan bovenstaande vergelijking nog doortrekken naar tal van andere alledaagse situaties. Er blijft één constante: in essentie draait het steeds om macht. En macht heeft – in tegenstelling tot gezag , en dit onderscheid is essentieel - de neiging om de dialoog uit de weg te gaan.  In deze opvatting wordt de ‘dialoog’ enkel gevoerd als er iets ‘te communiceren ’ valt, enkelrichtingsverkeer dus.  Wat in oorsprong een echte dialoog was is verworden tot een ritueel, een vormelijk gegeven dat inhoudelijk niet veel meer te bieden heeft. Kortom, een ver van mijn bed show. Leuk om even naar te kijken, maar dan weer gauw wegzappen, het verveelt namelijk snel. Want ook dat is een– weliswaar onbedoeld – gevolg van de cultuur van de stilte. Er wordt niet meer geluisterd (waarom zou je ook, de voorspelbaarheidsgraad ligt tamelijk hoog) en volleerde plantrekkers die we zijn, doen we rustig ons eigen ding. In elk van ons schuilt een kleine anarchist. We kennen in Vlaanderen wel iets van lege rituelen en eenrichtingscommunicatie. Het pré-conciliaire Latijnse gemurmel in de Kerk vormt zowat het archetype van dit fenomeen. De mislukte pogingen om hierop een antwoord te bieden en de daarop volgende leegloop zijn ondertussen voer voor sociologen, historici en andere studaxen.

‘Geheimtaal’ laat ons toe om zelf geen beslissingen te (moeten) nemen. Anderen – bevoegde instanties, deskundigen, specialisten, you name it – doen dat wel in onze plaats. Illich’s ‘Deskundige, vriend of vijand’[iii] is niet aan ons besteed. Op die manier verwordt het maatschappelijke debat tot een portie – en over het adjectief zijn de meningen verdeeld – gezonde ontspanning. Dociliteit gelardeerd met een portie (zelf)spot maakt het leven leefbaar.

Voor het overige doen we er het zwijgen toe. Als er dan toch al eens iemand zijn stem verheft wordt dit op een oorverdovende wijze genegeerd en één enkele keer in de media geridiculiseerd (als de kijkcijfers het toelaten). En als het echt niet anders kan – jawel, sommigen zijn hardleers en niet te stoppen – kunnen we nog steeds (dreigen te) verbieden. Dat laatste doen we vanzelfsprekend niet meer met bruut geweld. We hebben meer dan 20 eeuwen beschaving op ons conto staan en dat dunne laagje vernis stelt ons in staat om iets gesofisticeerdere methodieken te gebruiken om dezelfde resultaten te bereiken. In een geseculariseerde wereld is de houdbaarheidsdatum van termen zoals ‘excommunicatie’ en ‘aflaten’ reeds lang overschreden. Ze zijn vervangen door juridische spitstechnologie al dan niet voorzien van een medische sausje. In een wereld waar je je hemel op aarde tracht te realiseren vormt tewerkstelling het uitgelezen werkterrein om deze disciplinering tot vrije zwijger door te voeren. De toolbox is goed gevuld: sollicitatieprocedures, (dreiging met) ontslag(procedures). En voor wie materiële zaken toch niet zo belangrijk zouden zijn resten nog medicalisering van gedrag annex psychiatrisering van ‘afwijkend’ gedrag, … De in onbruik geraakte want  ‘ouderwetse’ term abnormaal is hier – omwille van de duidelijkheid - wellicht meer op zijn plaats. De dominante cultuur aanvaardt – het publieke discours over diversiteit ten spijt - geen afwijking van de norm. Of hoe self-hugging wijst op een ultiem gebrek aan empathisch vermogen. Eigenlijk is er in al die eeuwen niet zo veel veranderd. De methode hanteert nog steeds het principe van uitsluiting in de hoop dat hiermee de stilte wordt bewaard. Meestal is dreigen voldoende maar als het echt niet anders kan moet er al eens een voorbeeld worden gesteld.